Skip to main content

Cookies and Privacy

We use cookies to improve your experience on our website. To find out more, read our updated Cookie policy, Privacy policy and Terms & Conditions

skidelsky2ec88261038e16944c53a2307cf82682 China Photos/Getty Images

China’s zoektocht naar legitimiteit

LONDEN – De liberale democratie heeft te maken met een legitimiteitscrisis, krijgen we herhaaldelijk te horen. Mensen wantrouwen de regering door liberale elites en geloven steeds vaker dat de democratie die hen wordt geboden een schijnvertoning is. Dit gevoel wordt weerspiegeld in het succes van populisten in Europa en de Verenigde Staten, en in de autoritaire neigingen van de regeringen van Turkije, Brazilië, de Filippijnen en andere landen. In feite wordt de liberale democratie niet alleen uitgedaagd in zijn Europese en Amerikaanse kernlanden, maar is zij er ook niet in geslaagd mondiaal tot bloei te komen.

Democratieën, zo wordt alom nog steeds aangenomen, voeren geen oorlogen met elkaar. Tijdens een toespraak in Chicago in 1999 beweerde de toenmalige Britse premier Tony Blair dat “de verspreiding van onze waarden ons veiliger maakt,” waardoor sommigen ertoe aangezet werden om de eerdere voorspelling van Francis Fukuyama in herinnering te roepen dat de mondiale triomf van de liberale democratie het einde van de geschiedenis zou inhouden. Het hoeft geen verbazing te wekken dat het daaropvolgende onvermogen van Rusland en China om het Fukuyama-script te volgen zorgen heeft opgeroepen over een nieuwe koude oorlog. Met name de economische “opkomst van China” wordt geïnterpreteerd als een “uitdaging” aan het adres van het Westen.

Volgens deze redenering is een vreedzame overdracht van de internationale macht uitsluitend mogelijk tussen staten die dezelfde ideologie delen. In de eerste helft van de twintigste eeuw kon Groot-Brittannië derhalve veilig “de fakkel overdragen” aan de VS, maar niet aan Duitsland. Vandaag de dag, zo luidt het betoog, is China zowel een ideologische als een geopolitieke uitdaging voor een aftakelende westerse hegemonie.

Deze zienswijze wordt echter krachtig bestreden door de Chinese wetenschapper Lanxin Xiang.In zijn fascinerende nieuwe boekThe Quest for Legitimacy in Chinese Politics verschuift Xiang de schijnwerpers van de bestuurscrisis in het Westen naar de bestuurscrisis in China.

In één opzicht is dit bekend terrein. Westerse politieke wetenschappers geloven al langer dat de constitutionele democratie de enige stabiele regeringsvorm is. Zij betogen derhalve dat de Chinese éénpartijstaat, overgenomen van het bolsjewisme, gedoemd is te mislukken, waarbij de huidige protesten in Hong Kong een voorafschaduwing zouden zijn van het lot dat de rest van China te wachten staat.

Xiangs bijdrage is gelegen in zijn uitdaging van de conventionele westerse visie dat China kan kiezen uit integreren met het Westen, proberen het Westen ten gronde te richten, of ten prooi vallen aan binnenlands geweld en chaos. In plaats daarvan stelt hij een constitutioneel regime voor met Chinese karaktertrekken, gebaseerd op een gemoderniseerd confucianisme.

Subscribe now
Bundle2020_web

Subscribe now

Subscribe today and get unlimited access to OnPoint, the Big Picture, the PS archive of more than 14,000 commentaries, and our annual magazine, for less than $2 a week.

SUBSCRIBE

Xiang is een Chinese patriot, maar geen blinde aanhanger van president Xi Jinping. Het interessantste deel van het boek onderzoekt hoe het Westen voortdurend heeft geprobeerd de Chinese prestaties te kleineren. Xiang laat zien hoe de 17e-eeuwse poging van de Jezuïeten om het christendom en het confucianisme met elkaar te verzoenen (tijdens het “Riten-debat”) mislukte door de protestantse oppositie tegen iedere vorm van afgoderij. In zijn ogen werd het harmoniserende pad van “co-evolutie” via “deugdzaam regeren” voorgoed onbegaanbaar gemaakt door de Verlichting – die hij interpreteert als een seculiere uiting van het kruisvarende protestantisme. China kende een dergelijke kruisvaardersgeest niet: het was tevreden met hoe het was. Zoals de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger ooit opmerkte: “Het Beloofde Land is China. En de Chinezen zijn er al.”

Toonaangevende Verlichtingsdenkers hebben bijgedragen aan een “universalistische” kritiek op China. Montesquieu’s doctrine van de scheiding der machten werd bijvoorbeeld bewust gepropageerd als het enige alternatief voor “Aziatisch despotisme.” Hegel verwierp het Chinese systeem op teleologische gronden, en betoogde dat China's gebrek aan bewustzijn van de “Geest” het land veroordeelde tot stilstand en stagnatie (een visie die later ook door Marx werd gedeeld). En Adam Smith zei dat China sinds de twaalfde eeuw geen economische vooruitgang meer had geboekt omdat het vrije instellingen ontbeerde.

Tegen de 19e eeuw waren deze diverse stromingen gefuseerd tot een sociaal-darwinistische kijk op vooruitgang, die rassen in een hiërarchische rangorde van prestaties arrangeerde – een visie die aanzienlijk was beïnvloed door de militaire superioriteit van het Westen in zijn relaties met “inferieure” rassen. Deze universalistische benadering lag ten grondslag aan de neerbuigende, paternalistische en minachtende kijk van het Westen op China. Westerse economen en filosofen zagen het Chinese bestuurssysteem niet als een bijdrage aan de mondiale menselijke wijsheid, maar als oorzaak van de “achterlijkheid” van het land. Hun oordeel dat het Westen superieur was aan China, in ieder opzicht behalve bij de productie van porselein, liet geen ruimte voor culturele verzoening.

Toch ziet deze negatieve zienswijze het feit over het hoofd dat China onder de doctrine van het Mandaat van de Hemel een buitengewone mate van stabiliteit heeft weten te verwezenlijken. Buitenstaanders hebben dit systeem – “dat is gebouwd op een duidelijk omlijnd plan,” zoals Xiang het omschrijft, met “een op de bloedlijn gebaseerde koninklijke legitimiteit aan de top” en “geschoolde adel om de staatszaken te beheren” – ten onrechte als een recept voor stagnatie geïnterpreteerd.

Xiang betoogt dat de recente economische opkomst van China eenvoudigweg een “restauratie” is van het succes dat het land genoot vóórdat de westerse inmenging in de negentiende eeuw een harmonieus systeem verstoorde. Maar de schattingen van wijlen Angus Maddison van het historische bbp per hoofd van de bevolking duiden erop dat China's economische “retardatie” al vóór de ontmoeting met het Westen begon. Tussen 1500 en 1870 bleef het inkomen per hoofd van de bevolking schommelen rond de $600, terwijl dat in Groot-Brittannië verviervoudigde (van $714 naar $3,190), en zelfs dat van Spanje verdubbelde.

China’s politieke stabiliteit en de relatieve afwezigheid van geweld werden dus verwezenlijkt ten koste van de economische dynamiek, en niet in harmonie daarmee. De economische opkomst van het Westen was daarentegen juist gebaseerd op een afwijzing van de organische eenheid van moraal, politiek en economie die Xiang zo hogelijk waardeert.

Xiang is vaag over de vraag hoe het confucianisme kan worden ingepast in een wereldorde die door het Westen geschapen is. Hij denkt dat de Chinese leiders zichzelf voor de gek houden als ze hopen dat marxistische retoriek de legitimiteit van het regime zal schragen, gezien “de morele aftakeling van de heersende elite, wier honger naar de opeenhoping van rijkdommen geen grenzen of wettelijke beperkingen kent.” China, zo zegt hij, “heeft een westers idee over democratische procedures nodig,” en een civil society die kan dienen als alternatief voor een opstand.

Tenslotte hoopt Xiang dat de rooms-katholieke kerk gebruik zal maken van een historische kans om de oude jezuïtische pogingen om tot een verzoening met het confucianisme te komen te hervatten. Als protestants Amerika een nieuw Rome vertegenwoordigt, schrijft hij, kan de Europese Unie op de een of andere manier misschien “een wereldlijke versie van de verenigende katholieke kerk van vóór de Reformatie worden” – een intrigerende conclusie van een boeiend boek.

Vertaling: Menno Grootveld

https://prosyn.org/Nbc2WFdnl;

Edit Newsletter Preferences